"Een klein houten hutje op een camping in Kekerdom (de Hazelaarshof) was drie weken lang mijn thuis. Vanuit mijn hutje trok ik iedere ochtend het bos in om bomen en struiken te meten. Ik maakte dagenlange regen mee, een hittegolf en temperaturen van 3 graden ’s nachts tot maar liefst 33 graden overdag.
Ik deed dit voor mijn afstudeerstage bij ARK Rewilding Nederland, als onderdeel van mijn master Environmental Biology aan de Universiteit Utrecht. Zes maanden lang verdiepte ik me in rewilding en de vraag hoe natuur zich ontwikkelt wanneer we haar meer ruimte geven. Maar wat gebeurt er eigenlijk nadat je een gebied de ruimte geeft? En maakt het uit of je een bos aanplant, of de natuur het grotendeels zelf laat ontwikkelen? Dat was precies wat ik tijdens mijn stage onderzocht. Om daarachter te komen, vergeleek ik twee bossen die ongeveer dertig jaar geleden ontstonden op voormalige landbouwgrond: de Millingerwaard in Nederland en Salmorth, net over de grens, in Duitsland.
Twee bossen, twee manieren van ontwikkelen
De Millingerwaard is een van de gebieden langs de Waal waar al sinds eind jaren tachtig met rewilding principes wordt gewerkt. Het landschap werd opnieuw ingericht, de rivier en natuurlijke processen kregen de ruimte. Grote grazers zoals Gallowayrunderen en Konikpaarden werden geïntroduceerd en inmiddels spelen ook bevers en reeën een rol in het gebied. De ontwikkeling van het gebied werd zoveel mogelijk aan natuurlijke processen overgelaten.
Aan de andere kant van de grens ligt Salmorth, hemelsbreed slechts 6 km van de Millingerwaard. Daar werd in 1995 ongeveer twintig hectare voormalige landbouwgrond actief beplant. Zo’n 5500 bomen werden aangeplant, waaronder wilgen, populieren, essen, iepen en eiken. Deze bomen vormden de basis voor het bos dat er nu staat. Er zijn geen grote herbivoren aanwezig in dit bos, enkel reeën.
Op het eerste gezicht zou je denken: een bos is toch gewoon een bos? Maar toen ik door beide gebieden liep, bleek al snel dat er veel meer verschil tussen zat.
Wat een bos je vertelt
Om mijn onderzoeksvraag te beantwoorden legde ik in beide gebieden twintig onderzoeksplots aan: kleine cirkels van tien meter doorsnede. Binnen iedere plot bracht ik het bos nauwkeurig in kaart. Ik noteerde welke bomen en struiken er stonden, bepaalde de soort, hoogte en stamdiameter.
Maar bomen vertellen maar een deel van het verhaal. Daarom keek ik ook omhoog: hoeveel licht valt er door het bladerdak? En omlaag: hoeveel dood hout ligt er op de bodem? Hoe hoog is de kruidlaag? En wat voor bodem ligt er eigenlijk onder mijn voeten? Voor dat laatste nam ik bodemmonsters mee naar Utrecht, waar ik ze later zelf in het laboratorium analyseerde.
In totaal vond ik 514 bomen en struiken. Van jonge planten van nog geen halve meter hoog tot bomen die inmiddels de bovenste laag van het bos vormden. Juist die verschillen in leeftijd en grootte bleken een belangrijk stukje van het onderzoek: ze vertelden iets over hoe beide bossen zich in de afgelopen dertig jaar hadden ontwikkeld. Het is een interessant idee dat oude bomen je iets vertellen over het verleden: welke soorten zich waar hebben gevestigd en welke bomen de afgelopen decennia zijn blijven staan. Tegelijkertijd vertellen jonge bomen juist iets over de toekomst: welke soorten zich nu vestigen en hoe het bos er over tientallen jaren misschien uit zal zien.
Verschillen in bosstructuur
Na het analyseren van alle data werd één verschil al snel duidelijk: de structuur van de twee bossen was anders. In de Millingerwaard vond ik bomen en struiken van allerlei verschillende groottes, kleine jonge boompjes, middelgrote bomen en grote volwassen bomen. In Salmorth zag dat er anders uit. Daar waren relatief veel kleine bomen en struiken, maar ook veel grote bomen die zijn aangeplant, terwijl juist de tussenmaten schaars waren. Het bos had daardoor een veel uniformere, meer gelijkjarige structuur.
Dat klinkt misschien als een klein verschil, maar het vertelt veel over hoe een bos zich ontwikkelt én hoe het er in de toekomst uit kan zien. Een bos is geen statisch geheel, maar een voortdurend veranderend systeem waarin bomen groeien, ouder worden, sterven en omvallen, en zo ruimte maken voor nieuwe generaties. Wanneer die processen op verschillende plekken en momenten plaatsvinden, ontstaat een mozaïek van open plekken, jonge begroeiing, struiken en volwassen bomen. Daarmee ontstaan ook verschillende omstandigheden voor planten en dieren: van zonnige open graslanden tot donkere plekken onder een gesloten bladerdak. De verdeling van bomen over verschillende leeftijden en groottes kan daarnaast belangrijk zijn voor de continuïteit van een bos. In Salmorth zag ik relatief weinig bomen van middelmatige grootte. Dat betekent dat wanneer de grote, volwassen bomen uiteindelijk afsterven, er minder bomen klaarstaan om hun plek over te nemen. Er kan dan tijdelijk een groter gat ontstaan tussen de aanwezige boomgeneraties. Of zo’n gat er daadwerkelijk toe leidt dat bos plaatsmaakt voor een ander type natuur, kan mijn onderzoek niet aantonen. Wel laat het zien waarom het interessant is om niet alleen te kijken naar hoeveel bomen er staan, maar ook naar hun verdeling over verschillende leeftijden en groottes. Die demografische structuur kan namelijk iets vertellen over de veerkracht en toekomstige ontwikkeling van een bos.
Verschillen in diversiteit
Vervolgens heb ik gekeken naar de verschillen in boom- en struikdiversiteit tussen de twee bossen. Ik verwachtte vooraf dat de grotere variatie in structuur in de Millingerwaard misschien ook zou leiden tot een hogere boom- en struikdiversiteit, maar zo eenvoudig bleek het niet te zijn. Wanneer ik alle bomen en struiken meenam in de analyse, vond ik geen significant verschil in diversiteit tussen de twee bossen. Wanneer ik enkel keek naar de kleine bomen en struiken was de diversiteit zelfs hoger in Salmorth. Ook vond ik een significant verschil in soortensamenstelling tussen de twee gebieden, wat betekent dat in de twee gebieden andere boom- en struiksoorten staan. In de Millingerwaard stond veel eenstijlige meidoorn, zwarte populier en sleedoorn, in Salmorth vond ik meer zomereik, gewone es en gladde iep.
Een bos kan soortenrijk zijn en toch behoorlijk uniform van structuur. Andersom kan een bos veel variatie hebben in hoogte, open plekken en begroeiing zonder dat er meteen meer boom- en struiksoorten voorkomen. Het is belangrijk om beide mee te nemen wanneer gekeken wordt naar de staat van een bos.
Andere verschillen
Niet alleen de bomen zelf verschilden. Ook de omgeving waarin ze groeiden zag er anders uit. In Salmorth was het bladerdak veel dichter. In de Millingerwaard was er meer openheid én meer variatie in hoeveel licht de bosbodem bereikte. Ook de kruidlaag was in Salmorth hoger. Tijdens mijn veldwerk zag ik daar veel hoge kruiden, zoals kleefkruid, brandnetel, braam en reuzenbalsemien. De kruidlaag was soms bijna net zo hoog als ikzelf! In de Millingerwaard kwam ik juist regelmatig bloemrijke graslanden tegen. De aanwezigheid van grote grazers – Gallowayrunderen en Konikpaarden, naast reeën – speelt hierbij een rol. Door te grazen beïnvloeden zij de hoogte en samenstelling van de vegetatie en helpen ze mee aan het ontstaan van een mozaïek landschap.
Conclusie van mijn onderzoek
Mijn onderzoek laat niet zien dat aanplanten per definitie slecht voor het bos is, of dat rewilding andersom automatisch de betere aanpak is. Wat mijn onderzoek naar deze twee bossen wel laat zien is dat verschillende keuzes aan het begin van een natuurontwikkelingsproject kunnen leiden tot verschillende resultaten. Rewilding resulteerde in een meer gevarieerde vegetatiestructuur, met bomen en struiken van verschillende leeftijden en groottes en meer variatie in de hoeveelheid licht die de bodem bereikt. Het aangeplant bos ontwikkelde zich tot een dichter en uniformer bos, met een hogere kruidlaag en een leeftijdsgat tussen de oudere, aangeplante, bomen en nieuwe zaailingen. Rewilding wordt steeds vaker toegepast, maar aanplant is nu nog vaak de norm. Onderzoek dat laat zien wat het resultaat is van rewilding is waardevol en kan bijdragen aan een breder draagvlak en het vaker toepassen ervan.
Meer dan een onderzoek naar bomen
Voor mij was deze stage uiteindelijk meer dan een onderzoek naar twee bossen. Naast de themadagen, studentenochtenden en het fijne contact met het team van ARK, kreeg ik de kans om met verschillende mensen een dag mee te lopen en zo ook andere kanten van het werk rond rewilding te ontdekken. Zo liep ik een dag mee met Jeroen Helmer, bekend om zijn prachtige tekeningen waarmee hij de effecten van rewilding op een toegankelijke manier aan een groot publiek laat zien. Die dag inspireerde me om zelf ook een tekening te maken van de twee bossen die ik maandenlang had onderzocht. Niet om de statistische resultaten nog een keer in beeld te brengen, maar juist om de verschillen te laten zien die je niet direct in cijfers kunt vangen: de sfeer, structuur en indruk die je krijgt wanneer je door beide bossen loopt.
Verder was het verdiepen in rewilding voor mij ontzettend leerzaam. Tijdens mijn master Environmental Biology had ik natuurlijk al veel geleerd over ecosystemen, biodiversiteit en ecologische processen. Toch leerde rewilding me om op een andere manier naar natuur te kijken. Niet alleen door te kijken naar welke soorten ergens aanwezig zijn, maar vooral naar de processen die bepalen hoe een landschap zich ontwikkelt. Wat me daarin vooral aanspreekt, is het idee dat je niet alles vooraf hoeft vast te leggen. Je hoeft niet precies te bepalen hoe een landschap er uiteindelijk uit moet zien, maar kunt natuurlijke processen de ruimte geven en vervolgens kijken wat er ontstaat. Dat vraagt om het loslaten van een ideaalbeeld en om vertrouwen in de herstelkracht van natuur.
Mijn stage heeft me daardoor niet alleen veel geleerd over rewilding als manier van natuurontwikkeling, maar heeft ook veranderd hoe ik zelf naar natuur kijk. Die kennis en manier van denken neem ik graag mee in mijn verdere carrière als ecoloog. Tegelijkertijd is het een filosofie waar ik steeds meer in ben gaan geloven: dat we niet altijd alles hoeven te controleren, maar soms juist ruimte moeten geven aan wat vanzelf ontstaat. Een gedachte die volgens mij niet alleen waardevol is voor hoe we met natuur omgaan, maar ook voor hoe we zelf in het leven staan. Of, zoals Steve Carver het in zijn artikel over de principes van rewilding (2021) mooi verwoordt:
“Rewild the human spirit as well as the land.”
Misschien begon dat voor mij wel in dat kleine houten hutje in Kekerdom."