Veldbezoek ARK Veluweteam aan Plantage Willem III

24-08-2026
Lars Soerink
Team communicatie
Als je érgens wil zien wat verbinding tussen hoge zandgronden van een stuwwal en uiterwaarden in de Nederlandse praktijk betekent en kan opleveren, dan is een bezoek aan Plantage Willem III in Amerongen een goed idee. ARK tekende ervaringen op van beheerder Juleo Litjens van Het Utrechts Landschap.
Image
Plantage Willem III

Plantage Willem III is een voormalige tabaksplantage op de zuidhelling van de Utrechtse Heuvelrug en bestrijkt de hele gradiënt van laaggelegen uiterwaard tot hooggelegen droge heide en bos boven op de Utrechtse Heuvelrug. De bodem is een overgang van rivierafzettingen in het dal van de Nederrijn, via een licht leemhoudende zandige flank naar wat armere zandgronden boven op het Utrechtse Heuvelrug-massief. Die bodem werd in het verleden, in de hoogtijdagen van de tabaksteelt, bemest voor het telen van rookwaar. Maar lang voordat roken niet meer salonfähig was, legde de concurrentiepositie van de Veenendaalse tabaksindustrie het af tegen buitenlandse productie – de plantages raakten in onbruik en herwilderden. Rewilding, avant la lettre. Wie er nu wandelt komt een populatie damherten en reeën tegen én een wildlevende kudde galloways en enkele familiegroepen konikpaarden.

Recente studies in de rewilding-ecologie leren dat het samengaan van verschillende types grote herbivoren, zoals hier ree, konijn, damhert, rund en paard, een meer gevarieerde soortenrijkdom en meer gevarieerd landschap opleveren. Dat zie je op Plantage Willem III bevestigd worden. Geen van de grazers is zó talrijk dat er overbegrazing optreedt, door de actieve regulatie van de aantallen van de grazende dieren.

Als je van rechtop-lopend afdaalt naar sprinkhaanperspectief, dan zie je dat de lage begroeiing wordt gedomineerd door bloeiende planten, samen met lage grassoorten als reukgras, rood zwenkgras en schapengras. Het effect van natuurlijke begrazing is hier perfect zichtbaar: gras-dominantie wordt doorbroken en maakt plaats voor een scala aan bloeiende planten (een veel hogere biodiversiteit) die vaak ook weer waardplant zijn voor bijvoorbeeld dag- en nachtvlinders. 

Image
Plantage Willem III

Konijnen: kleine grazers met grote impact

Speciale aandacht mag op Plantage Willem III uitgaan naar de gezonde populatie konijnen die hier leeft. De grazers houden de braamkoepels (vaak dijkviltbraam, een invasieve uitheemse plant) redelijk in toom - althans veel meer dan zonder grazers het geval zou zijn. De konijnen spelen daarin een extra rol: de koepels van braam en brem zijn hun ‘safe zones’ waar ze veilig zijn tegen roofvogels. De meeste konijnenholen zijn dan ook te vinden onder deze koepels en door hieraan te knagen worden de koepels van onderen relatief open gehouden. Dat draagt zeker bij aan het niet te snel ‘exploderen’ van dijkviltbraam. Maar ook aan het moeilijker vestigen van boompjes in deze braamkoepels. Overigens neemt Utrechts Landschap extra maatregelen om de opmars van deze braam te stoppen door gericht af te maaien.

De activiteit van plantengroei en grazers heeft op Plantage Willem III geleid tot de ontwikkeling van een – in de ogen van ons rewilders – prachtig structuurrijk landschap, rijk aan bloeiende planten en gonzend van insecten en vogels. We worden dan ook al snel getrakteerd op een draaihals die van de grond opvliegt naar ‘ergens verderop’. Even later wespendieven in de lucht, en baltsende buizerds.

Hoger op de stuwwal wordt een deel van het landschap minder natuurlijk beheerd: hier leidt de maaimachine  tot een veel meer uniforme, parkachtige aanblik van het landschap. Utrechts Landschap streeft hier naar heischraal grasland of heide – de hoeveelheid heide blijft wat achter bij de bedoelingen. Om voor de beheervergoeding voor heide in aanmerking te komen hoeft er volgens de beheerder eigenlijk niet veel heide te staan, als het beheertype maar is ingetekend en het daaropgerichte beheer uitgevoerd. Kansen voor ‘wandelend bos’ worden hier dus afgemaaid.

Bij Amerikaanse Vogelkers staan we langer stil. In opdracht van Utrechts Landschap trekt een aannemer met een ploeg (met grote messen uitgeruste) medewerkers het bos in om te ringen. Overal is jonge aanwas te zien van deze vogelkers, maar de beheerder geeft aan dat het probleem redelijk onder controle is. We wisselen ervaringen uit van gebieden waar grazers (zoals Wisenten op Radio Kootwijk) zich ook op Amerikaanse Vogelkers richten, waar deze boom wat meer ‘in lijkt te burgeren’ doordat ze daar – net als andere soorten – ook gegeten worden. De gevreesde dominantie van Amerikaanse Vogelkers blijft daar meer uit. Als rijk-strooiselsoort kan de soort ook bijdragen aan de ontwikkeling van een rijker bodemleven, zeker op plekken waar bladval van Amerikaanse Eik de bodem juist heeft verarmd. Dichtere struwelen van brem, vuilboom, grove den en braam zijn plekken waar een grotere dichtheid aan vogels broedt: we noteren braamsluiper, grasmus, geelgors en roodborsttapuit.

Image
Plantage Willem III
Onder het viaduct, dat de provinciale weg over de natuurverbinding tilt, is stagnerend water de favoriete hangplek van de kudde Gallowayrunderen. Het water is door hun poep verrijkt en het warme weer zorgt voor een flinke algengroei. Voor de runderen een topplek, voor medegebruik door andere soorten nauwelijks van belang – ándere natte plekken in het gebied worden echter ontzien door de runderen doordat deze plek juist zo favoriet is. Een soort recreatie-zonering voor grote grazers.

Bijzondere stroomdalvegetatie 

Utrechts Landschap beheert een deel van het laagelegen uiterwaardengebied als bijzonder plantenreservaat. Om vertrappen van vegetatie door grazende dieren – en opeten van bloemen en zaden door deze dieren – te voorkomen is dit nu volledig uitgerasterd. We weten nog niet goed wat er zou gebeuren als je toch grazers tot een deel van deze plantenlaagte toegang zou geven – interessante kans voor een experiment? Dat zou kunnen laten zien dat je een ander vegetatiepatroon krijg, maar dat soorten zich (zolang de graasdruk niet te hoog oploopt), toch weten te handhaven. Hoe dan ook is dit een mooi voorbeeld hoe verschillende beheervormen náást elkaar kunnen bestaan: natuurlijker waar het kan, intensiever (maai) beheer waar je het risico op verlies te groot vindt. Zo blijven ‘reservoirs’ van bedreigde soorten in stand en kan her-kolonisatie naar de omgeving vanuit deze reservoirs plaatsvinden als de omstandigheden daarvoor goed genoeg zijn.

Image
Plantage Willem III

Stuwwal en uiterwaarden verbonden

De vrije doorgang van runderen, paarden en damherten – en ook van konijnen, vossen en alle andere soorten die dat willen – van stuwwal naar uiterwaarden (en vice versa) is bijzonder in Nederland. Om een zeldzame vegetatie te beschermen tegen verandering werd die uitgerasterd, maar dat staat het functioneren van de verbinding niet in de weg. Dan is de vraag interessant: wáár brengen de dieren hun tijd door? Zijn de meest voedselrijke plekken niet simpelweg de plek waar ze zich dan permanent ophouden? Het antwoord is: nee – dat doen ze niet. Paarden bijvoorbeeld krijgen juist last van eiwitrijk gras, hun voorkeur gaat uit naar grazen op de armere delen (al komen ze zeker ook in de uiterwaard). De runderen laten ander gedrag zien, maar ook zij maken, jaarrond, van het hele gebied gebruik, waarbij ze in natte tijden graag droog staan om hoefproblemen te voorkomen. Het verbinden van de hoge stuwwal met de lage uiterwaarden betekent dus zeker geen ‘leegloop’ van de hoge delen, en levert geen overbegrazing van de laaggelegen delen op. Je ziet hier een natuurlijk gedrag; ‘seizoensmigratie’ en het benutten van de hele gradiënt naargelang de behoefte van de dieren.  

De paarden zijn in de zomer en in het najaar veel in de uiterwaarden; in de zomer voornamelijk in de uiterwaarden. De runderen verblijven zomers ook meer in de uiterwaarden, maar brengen toch ook de nodige tijd door op de hoge delen (afwisselend terreingebruik). Waarschijnlijk hebben zij meer behoefte aan minder eiwitrijk ruwvoer dat meer op de hoge delen te vinden is. Runderen zijn in de zomer 's nachts ook veel in de bossen van de stuwwal te vinden, waar ze van de bosbessen eten.

Image
Plantage Willem III
In de winter is het voedsel in de uiterwaarden te slap voor paarden en ook wel voor de runderen. Dan verblijven beide meer op de hoge delen. In de winter is het ook te nat in de uiterwaarden. Niet vanwege hoog water, want dat speelt niet vaak, maar moeilijk door te komen en ook niet fijn om te overnachten. Het voordeel van het 24-uurs-pendelen of meer seizoensgebonden verplaatsing is dat het hoge en droge deel periodiek rust krijgt (het voedselarme deel heeft daar meer baat bij dan het rijke lage deel, waar de vegetatie een hogere groeisnelheid heeft).

De damhert-bokken trekken meestal kort na Koningsdag naar de uiterwaarden omdat het voedsel daar meer kalk bevat dat zij nodig hebben voor de opbouw van hun gewei. Ook drachtige hindes zoeken dan graag de nutriëntenrijkdom van de uiterwaarden op. De hindes doen dat vrijwel alleen 's nachts (er loopt een druk wandelpad langs de lage delen en de drachtige dieren proberen risico’s te minimaliseren), de bokken ook wel overdag – blijkbaar zijn zij wat stoerder en durven ze meer risico te nemen.

ARK Rewilding Nederland hoopt ook de hoge zandgronden van de Veluwe weer functioneel met het rivierengebied (Nederrijn en IJssel) te kunnen verbinden. Vanuit het Veluwe-gebiedsprogramma van ARK wordt daaraan gewerkt door samen met andere natuurorganisaties en -beheerders samen mogelijkheden te onderzoeken.