Stage 'Dood doet leven' in het KempenBroek

20-11-2025
Indy van der Giessen
Master Student Environmental Biology (Universiteit Utrecht)
Welke invloed hebben kadavers op de natuur en verschilt dit ook nog per gebied? Stagiair Indy van der Giessen deed hier nader onderzoek naar en schreef er dit blog over.

Tijdens het eerste jaar van mijn master kwam ik voor het eerst in aanraking met ARK Rewilding Nederland. Als kersverse master student in een nieuwe stad zat ik in een collegezaal te luisteren naar ARK’er Caroline van der Mark. Met ongelofelijke passie en enthousiasme vertelde zij over onze rivieren en al het werk dat ARK doet om wilde natuur te ontwikkelen in Nederland. “Wat geweldig!” dacht ik. ARK bleef het jaar daarna door mijn hoofd dwalen. Tot ik de mogelijkheid kreeg om met mijn studie, stage te lopen bij een externe organisatie. Het denken over rewilden werd ingeruild voor het bijdragen aan, want ik kon aan de slag! En mijn werkplek? Het KempenBroek; een grensoverschrijdend UNESCO mens en biosfeergebied. Hier zou ik mee gaan werken aan het project ‘Dood doet Leven’. 

Image
Grote kadavers
Kadavers spelen een sleutelrol in de natuur. Illustratie Jeroen Helmer

Het project
Het ‘Dood doet Leven’ project wil dode dieren – oftewel, kadavers – (weer) een plek geven in de natuur. Voor mij was dit onontgonnen terrein en zodra ik me erin verdiepte ging er een nieuwe wereld voor me open. Er kwamen tegelijkertijd ook veel vragen naar boven: “Wat gebeurt er nú dan met alle dode dieren?” en “Moet ik het hele bos doorzoeken om kadavers te gaan vinden?” Na een aantal gesprekken met Bram Houben, programmaleider van het KempenBroek en Julia van Knippenberg, trainee bij ARK en mijn begeleider, werd al snel veel duidelijk en kwam ik er ook achter dat ik de speurhond thuis kon laten. We zouden namelijk valwild gaan gebruiken. Dit zijn wilde dieren die door een ongeval, verdrinking of stroperij zijn komen te overlijden. Veel van deze kadavers – zoals reeën of wilde zwijnen – worden normaal gesproken ‘opgeruimd’ en verdwijnen daardoor uit de natuur in Nederland, en dat is (dood)zonde want daarmee verdwijnt ook een belangrijk stukje van het ecosysteem. Een kadaver is namelijk een hotspot van leven: het voedt micro-organismen in de bodem, verrijkt de vegetatie en trekt allerlei aaseters aan die ervan profiteren.

Image
KempenBroek
Onderzoek in het gensoverschrijdende KempenBroek Foto: Indy van der Giessen

Mijn onderzoek
Om een beter beeld te krijgen van de invloed van kadavers had ik een aantal vragen opgesteld om te onderzoeken:

Als eerste vroeg ik mij af of de rol van aaseters tijdens kadaver ontbinding verschilt tussen gebieden in Nederland.

Om deze vraag te kunnen antwoorden, beginnen we bij Elke Wenting. Elke is namelijk gepromoveerd aan de Universiteit van Wageningen op het onderwerp van kadavers en met veel plezier heb ik met haar mogen samenwerken. Zij zocht tijdens haar PhD uit waarom dode dieren belangrijk zijn en hoe aaseters de kringloop van nutriënten beïnvloeden. Dit heeft ze onder andere gedaan met gebruik van wildcamera’s die je bij een kadaver kan ophangen om zo alle dieren die erlangs komen waar te nemen. Met deze beelden en op basis van hun gedrag heeft Elke de aaseters van acht Nederlandse natuurgebieden in groepen verdeeld aan de hand van de rollen die zij op zich nemen tijdens het afbraakproces. Zo vond Elke dat een aaseter zoals het wilde zwijn, erg dominant is tijdens het afbraakproces en in grote groepen komt waarbij ze veel vlees in korte tijd kunnen eten, terwijl andere soorten zoals de koolmees, het kadaver slechts gebruikt om haren te verzamelen voor hun nest. Dit is althans het geval als we alle acht gebieden samen op een hoop gooien. Aan mij was de vraag of deze rollen ook stand zouden houden als we de gebieden in Nederland apart nemen en ze zouden vergelijken. Met die vraag ben ik achter mijn laptop aan de slag gegaan om de aaseters in het KempenBroek te vergelijken met die van de Veluwe en de Hamert. 
              Wat daaruit kwam? Over het algemeen vervulden de aaseters in de verschillende gebieden grotendeels dezelfde rollen als in de landelijke studie. Er was wel een uitzondering die opviel: de vos op de Veluwe. Tegen onze verwachting in, nam de vos daar een andere rol in dan in de overige gebieden en in Nederland als geheel. Dat kan verschillende oorzaken hebben — mogelijk heeft de vos een groter aanpassingsvermogen dan andere diersoorten bijvoorbeeld — maar dat kunnen we op basis van deze studie niet met zekerheid vaststellen. Daar zou meer onderzoek voor nodig zijn. Daarnaast is het, met de terugkeer van de wolf in Nederland, ook erg interessant om de invloed van hun aanwezigheid op de rolverdeling te ontdekken. Dit onderzoek biedt daar een mooi startpunt voor.

Als tweede heb ik de aasetergemeenschap in het KempenBroek onderzocht en gekeken naar de invloed van kadavers op de vegetatie en bodem.

Samen met Julia heb ik ook mijn eigen data verzameld. Ik wilde de aasetergemeenschap in het KempenBroek beter in kaart brengen en kijken naar de invloed van kadavers op de vegetatie en bodem. Het eerste deed ik, net zoals Elke, met behulp van wildcamera’s. Dat heeft me een hoop tijd en slapeloze nachten bespaart en het bekijken van de beelden na elke ronde was, telkens weer, een echt cadeau. Deze data liet zien dat een grote diversiteit aan kadavertypes (denk aan reeën maar ook aan vossen en dassen) nodig zijn om een brede variatie aan aaseters te ondersteunen. Elk kadaver ontbindt op een unieke wijze waardoor ze verschillende voordelen aan verschillende diersoorten opleveren. Daarnaast was er als kers op de taart ook een erg speciale vondst op een van de camera’s: de waarneming van een franjestaartvleermuis bij een kadaver. Geïnteresseerd? ARK heeft er een artikel over geschreven voor Nature Today en hun eigen website.

Voor het vraagstuk over de effecten op vegetatie en bodem heb ik de eerste stappen gezet om een langdurig onderzoek mogelijk te maken. Zodra je er namelijk achter komt dat kadavers 10 jaar na ontbinding nog steeds invloed kunnen hebben op hun omgeving, is een stage van zes maanden in no-time voorbij. Met mijn protocollen en nulmetingen geef ik daarom het stokje door aan toekomstige studenten die de effecten op planten en bodem op dezelfde wijze in latere stadia kunnen waarnemen. Ik ben benieuwd! 

Image
Observatie bij nacht
Observatie in de avonduren. Foto: Julia van Knippenberg

Het veldwerk

Samen met Meike Schoones, ook stagiaire bij ARK voor het KempenBroek gebied, hebben we gedurende onze veldwerk periode (april/mei) in een huisje in het gebied mogen slapen. Ooit een jagershuis werd ons verteld, maar nu omgetoverd tot een veldstation van Natuurmonumenten en nog ingericht met een houtkachel, midden in het bos, en pal naast het begrazingsgebied van de taurossen. Dit was als tweede thuis wel een cadeautje voor ons. Overdag konden we vanaf het huisje op de fiets het gebied doorkruisen om onze data te verzamelen, waarna we ‘s avonds onze handen uit de mouwen staken om de kachel aan de praat te krijgen. ‘Vuur maken’ stond raar genoeg niet bij de eisen voor deze stage maar eenmaal gelukt, zeker met beloning, want zodra die op gang was konden we er met een theetje en spelletje naast ploffen. 

Al met al waren het twee maanden die ik niet snel zal vergeten. Van ‘s nachts samen met Meike en Julia de kudde taurossen observeren, tot samen, na een warme dag veldwerk, een ijsje halen bij misschien wel lekkerste ijssalon van heel Nederland. Of voor het eerst in mijn leven een roerdomp horen tot oog in oog staan met een steenmarter. Het blijft indrukwekkend hoe snel je leert en je je ergens thuis kan voelen als je er maar op uit trekt en van de paden af gaat struinen. Al met al, heb ik ontzettend veel geleerd en genoten van mijn tijd bij ARK en is het rewilding-zaadje bij mij zeker geplant. Op naar meer wilde natuur!