Na het succes van de eerste editie in België (2023) keert de conferentie Power to the Peatlands terug voor zijn tweede Europese editie. De bijeenkomst met als thema Back to the Future: imagining tomorrow, acting today wordt dit jaar georganiseerd door Natuurmonumenten en de Radboud Universiteit. Wetenschappers, beleidsmakers, natuurbeheerders en rewilders wisselen nieuwe kennis en ervaringen uit over de dagelijkse praktijk van het beheer, ecosysteemherstel, milieubeheer en beleidsuitvoering van veen. De bijeenkomst biedt een unieke gelegenheid voor onderzoekers, beheerders, rewilders, marktpartijen en vertegenwoordigers van de overheid om ervaringen en resultaten uit te wisselen en kennis te toetsen en is ook via een livestream te volgen.
Helmer ontwikkelde deze tekening samen met Jacob de Bruin van Natuurmonumenten. De illustratie is gratis te downloaden en te gebruiken voor niet-commercieel gebruik en onder vermelding van Illustratie: Jeroen Helmer, ARK Rewilding Nederland i.s.m. Jacob de Bruin Natuurmonumenten. (For the English version click here)
De kracht van veenmos
Aanvankelijk heeft dit onooglijk kleine plantje vochtige omstandigheden nodig, maar terwijl het zich ontwikkelt, creëert het mosje zijn eigen vochtige milieu. Hij kan zich dan ook, met zijn watervoorraad bij de hand, uitbreiden naar drogere gebieden. Zodoende raakte bijvoorbeeld drieduizend jaar geleden ruim de helft van Nederland bedekt met veen. Dit was voor een groot deel hoogveen. Tot dit huzarenstukje was veenmos in staat dankzij zijn uitzonderlijke bouw. Zijn bladeren bestaan uit twee soorten cellen: smalle, lijnvormige cellen met bladgroen en grote, lege cellen die regenwater opslaan. Ook tussen stengel en blad slaat veenmos water op, zodat hij twintig tot veertig keer zijn eigen gewicht aan water kan vasthouden. Hierdoor kan hij onafhankelijk van grondwater doorgroeien. De oude plantendelen sterven af, maar doordat deze onder water staan en het veenmos ook nog voor verzuring van het water zorgt, worden deze veel minder hard afgebroken dan er nieuw veen bijkomt. Zo blijft de structuur grotendeels intact en behoudt het veen zijn sponswerking. In de winter is het veen op zijn natst, waardoor het uitzet, en in de zomer verdampt veel van het water, zodat het weer krimpt. Dit jaarlijkse uitzetten en weer inkrimpen noemen we veenademhaling.
Op je dode zelf doorgroeien
Er zijn meer dan dertig soorten veenmos in Nederland. De belangrijkste bultvormende soorten zijn wrattig veenmos, hoogveenveenmos en rood of stijf veenmos. Elders in Europa speelt bruin veenmos een belangrijke rol bij de bultvorming. De kussens die ontstaan doordat veen op zijn dode zelf kan blijven doorgroeien, kunnen wel zeven meter hoog en kilometers breed worden. Op die bulten kunnen meren, de zogenaamde meerstallen, ontstaan en tussen de bulten natte laagten met veenstroompjes. Aan de randen van zo’n veenbultencomplex, waar het voedselrijkere grondwater zijn invloed doet gelden, ontstaan de zogenaamde laggzones.
Samenleven met veenmos
Doordat het veen voor de groei voeding uit het water onttrekt, kunnen er maar weinig andere planten groeien. Toch weten sommigen te overleven door slimme aanpassingen of hulp van anderen. Gagel heeft bijvoorbeeld wortelknollen die een samenwerking aangaan met bacteriën die in staat zijn om stikstof, een belangrijke bouwstof voor planten, uit de lucht te binden. Heide werkt samen met speciale schimmels die voeding aan het dode veen weten te ontfutselen in ruil voor suikers. Zonnedauw heeft zoete, kleverige haren op haar bladeren die insecten lokken, maar deze ook vangen en verteren. Blaasjeskruid heeft napjes onder water met een harig deksel. Het plantje creëert een onderdruk in het napje en als de haren op het deksel een bewegend waterdiertje registreren, krult het deksel open en wordt het diertje naar binnen gezogen.
Op de bulten groeien planten zoals veenhaarmos, veel dwergstruiken zoals dopheide, struikheide en lavendelhei, soms ook kraaiheide. Hier en daar staat een bonsai-achtige grove den. Verder groeien er planten zoals ronde zonnedauw, kleine veenbes en eenarig wollegras. In de slenken vinden we waterveenmos, fraai veenmos, witte snavelbies, kleine zonnedauw en veenpluis. Doordat zoogdieren op het veen lastig kunnen lopen, er onvoldoende voedsel vinden en in het veen geen holen kunnen maken, zijn er weinig grondroofdieren. Daar profiteren grondbroeders, zoals paapje, goudplevier, watersnip, kraanvogel en wulp, van. Er zijn ook geen vissen in de meerstallen zodat de larven van allerlei waterinsecten, zoals libellen, haften en kokerjuffers, betere overlevingskansen hebben. De zure en voedselarme omstandigheden maken dat hier tal van veenspecialisten voorkomen, die elders juist afwezig zijn.
Landschap uit evenwicht
Al sinds de Romeinse tijd wordt veen ontgonnen. Met het graven van greppels werd het veen ontwaterd en daarmee geschikt voor akkerbouw. Vanaf de middeleeuwen ging men ook veen afsteken en drogen om te dienen als brandstof. De voortvarendheid waarmee dit ter hand werd genomen en de enorme schaal van de ontginningen heeft weliswaar bijgedragen aan de ongekende economische groei van de Nederlanden in de 17e eeuw, maar ook het landschap ernstig uit evenwicht gebracht. Het krimpende veen maakte inbraken vanuit zee en vanuit de grote rivieren mogelijk en liet het veenlandschap tot onder zeeniveau dalen. Als het veenwater bruin kleurt is dat een teken dat veen wordt afgebroken door verdroging, meestal door wateronttrekking ten behoeve van land- of bosbouw. Veenwater hoort helder te zijn. Afbraak van het veen gaat gepaard met een grote CO₂-productie en zorgt inmiddels voor 4 procent van de nationale koolstofuitstoot.
Verstoring van het veen heeft er mede toe bijgedragen dat stikstofminnende planten zoals pijpenstrootje, berk, wilg en exoten zoals cranberry en trosbosbes makkelijk voet aan de grond krijgen. Door de woekering van deze hogere gewassen kunnen grondbroeders niet meer van zich af kijken. Steltlopers zoals goudplevier, bosruiter en grutto zijn onder meer om die reden uit het veen vertrokken. Gelukkig is er, na vele decennia van maatregelen om het water vast te houden, nu op sommige plekken herstel van het veen zichtbaar. De kraanvogel is weer teruggekeerd en wie weet volgen er nog meer.
Op sommige plekken herstel zichtbaar
Paapjes broeden in kuiltjes, onder andere in de pootafdruk van een paard of rund. Die grazen aan de rand van de laggzones. Het veen zelf is te instabiel voor de grazers en bovendien is er te weinig voedsel te halen. Allerlei soorten slangen voelen zich wel thuis in het veen: ringslangen, gladde slangen en adders, die onder andere op de daar algemeen voorkomende heikikkers en levendbarende hagedissen jagen. Op hun beurt vallen de slangen ten prooi aan de slangenarend, die mede onder invloed van klimaatontwrichting steeds verder naar het noorden oprukt. Zelfs de zeearend broedt tegenwoordig bij het veen, alwaar hij op de sterk toegenomen grauwe ganzen jaagt. De boomvalk tenslotte voert haar spectaculaire jachtvluchten uit op de overvloed aan libellen boven het veen.